Fase 4: Train racen/presteren (jeugd)

Leerlijn mentaal en prestatiegedrag

Als een sporter hard wil zwemmen op een wedstrijd moet hij vertrouwen hebben en de wil hebben om het maximale uit zichzelf te halen/de beste willen zijn. Door de sporters uit te dagen in de dagelijkse trainingen bereid je ze voor op de wedstrijden. Dit door bijvoorbeeld sporters tegen elkaar uit te dagen of uit hun comfort zone te halen en ze bewust maken van hun gedachtes. Wat verwacht je er zelf van?

  • De sporter richt zijn aandacht langer tijd op moeilijke taken of problemen ondanks dat hij wordt geconfronteerd met afleidingen, negatieve gedachten, vermoeidheid of verveling.
  • Ruimte en tijd voor: doelen stellen, reflecteren, autonomie, nieuwe plannen maken, feedforward, succes, evalueren.
  • Bevorder eigen verantwoordelijkheid en betrokkenheid bij het nemen van beslissingen. De sporter leert de consequenties van zijn eigen keuzes te (h) erkennen en begrijpt dat je uiteindelijk zelfverantwoordelijk bent voor je doen en laten (zelfreflectie).
  • De sporter komt voor zichzelf op en bewaakt zijn eigen grenzen
  • De sporter durft zich kwetsbaar op te stellen en kan gemaakte fouten toegeven.
  • De sporter kan goed reflecteren en weet wat hij nodig heeft om de volgende stap te kunnen zetten.
  • De sporter kan zijn gedrag aanpassen.
  • De sporter probeert eerst zelf door te zetten, maar maakt zaken bespreekbaar als het niet lukt.
  • De sporter analyseert de oorzaak van een probleem.
  • De sporter heeft een helder einddoel en kan dit vertalen in kleine stappen.
  • De sporter maakt goede keuzes voor activiteiten rond het zwemmen en weegt af of het bijdraagt aan het bereiken van het einddoel.
  • De sporter werkt procesgericht. Hij evalueert en bespreekt zijn aanpak en staat open voor andere manieren.
  • De sporter laat zien steeds stabieler te reageren op teleurstellingen en wisselende omstandigheden
  • De sporter leert zichzelf (lichamelijk en geestelijk) steeds beter kennen.
  • De sporter kan aangeven wanneer hij niet in balans is.
  • De sporter laat zien met plezier te kunnen samenwerken en trainen met anderen.
  • De sporter laat de wil zien om zichzelf voortdurend te verbeteren.
  • What matters most is how you see yourself.

Voor de wedstrijd

  • De sporter maakt verschillende soorten doelen (resultaat, prestatie, en procesdoelen) op de korte en lange termijn en weet die te gebruiken.
  • De sporter weet hoe de aandacht en concentratie te reguleren. (zelfspraak en omgaan met afleidingen en negatieve gedachten).
  • De sporter leert manieren om middels mentale voorstellingen (visualisaties) te werken aan technische, tactische en mentale ontwikkelpunten.
  • De sporter past de geleerde mentale vaardigheden (zelfspraak, visualisatie en concentratie) toe in de trainingen en voorafgaand en tijdens wedstrijden.
  • De sporter ontwikkel vaste wedstrijd (voorbereidings-) routines, leer zwemmers echter ook om te gaan met onverwachte omstandigheden.
  • De sporter accepteert spanning en traint verschillende technieken om spanning te reguleren (doelen stellen, zelfspraak, spier relaxatie, visualisatie) afhankelijk van de persoonlijke voorkeur)
  • De sporter leert presteren onder druk (eigen verwachtingen en verwachtingen van anderen) en kan verwachtingen bijstellen.
  • De sporter begrijpt dat de teamspirit een belangrijke factor is om tot een hoger niveau te komen.
  • De sporter heeft vertrouwen en overtuiging in het team, de coach en de gekozen tactieken.

Tijdens de wedstrijd

  • De sporter test de mentale vaardigheden en raceplan uit tijdens trainingen en wedstrijden.
  • De sporter laat zien over een toenemend stabiel vertrouwen in de eigen capaciteiten te beschikken.
  • De sporter kan zich in toenemende mate effectief concentreren en focussen.
  • De sporter leert om technisch goed te blijven zwemmen onder druk en tijdens vermoeidheid.
  • De sporter gebruikt positief zelfspraak.

Na de wedstrijd

  • De sporter kan de prestatie en de doelstellingen monitoren en evalueren en waar nodig bijstellen (zelfregulatie)
  • De sporter leert om goed te kijken naar de positieve lessen van de prestatie.
  • Wedstrijdresultaten zijn geen doelen op zich, maar geeft indicatie voor eigen ontwikkeling
  • De sporter vraagt feedback aan de trainer.

Wie let waarop:
Sporter: Kijk naar het proces en zie een wedstrijd als leermoment. Focus op de punten waar je controle over kunt hebben. Blijf ontwikkelen in focus, self-talk, verbeelding en het reguleren van spanning. Laat zien met plezier te kunnen samenwerken en trainen met anderen.

Coaches: Focus op de positieve elementen en benadruk de inzet voor de wedstrijd. Help de atleten om hun focus te houden op een paar simpele proces doelstellingen voor de wedstrijd en evalueer de uitvoering uitvoerig. Maak samen met de sporters een wedstrijdplanning waarin je bespreekt welke wedstrijden hij/zij aan mee gaat doen. Bespreek met welk doel de sporter daar heen gaat en wat hij daar kan ontwikkelen.

Ouders: Blijf enthousiast en een positieve supporter voor je kind. Moedig ze aan en geef je kind ruimte om met zijn coach goede plannen te maken.