Omgeving en leefstijl

Voor een goede motivatie is een omgeving nodig dat past bij de sporter. Als je het beste uit je sporters wilt halen, moet je een cultuur creëren dat uitdaagt om het maximale eruit te halen terwijl sporters die lid zijn voor verbondenheid of gezondheid andere verwachtingen heeft van de omgeving. Talentontwikkeling en sporters die gaan voor de sport hebben een lerende, uitdagende en inspirerende omgeving nodig die versterkt wordt door de rol van de ouders, de juiste trainingsgroep (andere talenten, ervaren topsporters), de juiste coach, goede leefstijl en een goede accommodatie met de juiste faciliteiten.

De rol van de ouders/verzorgers

Ouders hebben enorme invloed op de plezierbeleving van de kinderen in de sport. Het is belangrijk dat ouders inzien dat ze er zijn ter ondersteuning van de kinderen. De beste ouders zijn zij die geduld hebben en balans kunnen vinden tussen het houden van afstand en het ondersteunen van hun kind. Zo zit de invloed van ouders/verzorgers volgens Holt & Morley (2004) op emotionele ondersteuning (onder meer interesse en zelfverzekerd maken), informationele ondersteuning (onder meer advies en oefenpartner), en tastbare ondersteuning (onder meer financieel en vervoer). Kinderen van ouders die de nadruk meer leggen op het plezier en ontwikkeling dan op het winnen van een wedstrijd zijn succesvoller dan kinderen van ouders die dat niet doen. De rol die zij kunnen spelen in de ontwikkeling is autonomie, zelfbewustzijn, zelfregulatie stimuleren, een goede relatie houden en een luisterend oor zijn.

De rol van de coach

Als coach denk je na hoe je het sportplezier van de leden kunt behouden of vergroten en hoe je de sporters, inspireert, in hun kracht zet en optimaal ontwikkelt als sporter en in de persoonlijke ontwikkeling. De coach heeft oog voor de sfeer in het team en creëert een motiverende omgeving waarin de sporters uitgedaagd worden. Door plezier, motivatie en verbondenheid met het team (peergroup) en de trainer (individuele aandacht) zullen de prestaties beter worden en sporters langer lid blijven.

Motorisch leren

Om te komen tot de internationale top moet je veel trainen. Daarbij gaat het niet alleen om de trainingsuren, maar ook (en vooral) om de kwaliteit van de training. Een goed opgebouwd jeugdprogramma is belangrijk voor succes bij de senioren. Daarvoor is het belangrijk om niet allemaal leuke afwisselende oefeningen te bedenken, maar oefeningen die ertoe doen; slag- of wedstrijd specifiek. Er zijn heel veel nieuwe onderzoeken gedaan over hoe je beter leert bewegen.

Wat steeds meer naar voren komt: Coaches moeten niet te veel praten en uitleggen of proberen om de ideale techniek aan te leren. Wat leidt tot succes is experimenteren, uitproberen en zelfonderzoeken en dan een stijl ontwikkelen dat bij hen past.

Sporters van elk niveau hebben er baat bij om minder schools te oefenen, en niet alleen maar doelgericht te werken aan een perfecte techniek. We kunnen speelser leren, meer experimenteren en meer vertrouwen op ons eigen gevoel voor beweging.

Het gaat erom dat sporters hun eigen stijl vinden en leren omgaan met veranderende omstandigheden. Door variatie in oefeningen experimenteren sporters zelf en vinden oplossingen die bij hun passen. Wolfgang Schöllhorns is ervan overtuigd dat dit de beste manier is om sporters vooruit te helpen: ik zeg niet dat er geen biomechanische regels bestaan waaraan je als sporter zou moeten voldoen. Ik zeg wel dat je enorm voorzichtig moet zijn met het formuleren van dergelijke regels. Zelf áls ze bestaan, dan heeft het nog weinig zin om ze aan een atleet te vertellen of op te leggen. Hij moet ze voelen. Met een variëteit aan oefeningen vindt het lichaam die regels zelf. (Succesvol sporten – Michiel van Nieuwstadt)

In veel leerboeken over leren zie je het driefasenmodel van Frits en Posner. In dit model ga je van verbaal-cognitief (vaak stap voor stap direct leren), naar associatief (op zoek naar juiste timing, stabiele patronen) en dan tot slot naar autonome leerfase (beweging loopt vanzelf, aandacht naar tactische toepassingen).

Dit model gaat ervan uit dat het nuttig is om aan het begin van het leren de aandacht op de uitvoering (interne focus) te richten en daarna op het resultaat (externe focus).

Een tweede uitgangspunt is dat het belangrijk is om expliciete kennis stap voor stap te hebben aan het begin van het leerproces.

Ten derde gaat men er hierbij uit dat autonomie van bewegingen wordt bereikt door herhaling, inslijpen van die beweging.

Het is de vraag of deze weg altijd gevolgd moet worden. Uit onderzoek waarbij ook de snelheid van het leren, de kwaliteit van het resultaat en hoe het geleerde tegen prestatiedruk is meegenomen zijn verrassende inzichten gekomen. Momenteel is erbij motorisch leren veel aandacht voor impliciet leren. Onderzoek lijkt uit te wijzen dat impliciet leren bij veel kinderen goed werk en voordeel heeft bij het aanleren van motorische taken. Bij impliciet leren wordt het bewegen geoefend zonder kennis te vergaren over de precieze uitvoering van de beweging. (bron kvlo.nl)

Studies tonen aan dat kennis die sporters hebben opgedaan zonder expliciete uitleg en zonder expliciete regels over het algemeen ook beter beklijft, ook onder stress. Bij impliciet leren geeft je niet aanwijzingen en instructies over hoe je de beweging precies moet maken en hoe welke fases er zijn, maar het idee is dat de sporter bewegingen onbewust leert maken zonder dat hij hierover hoeft na te denken. Tijdens de wedstrijd heb je niet de tijd om na te denken hoe jouw ligging is en hoe je hand staat. Ook is het lastig om je beweging aan te passen aan wisselende omstandigheden (versnelling) als een beweging heel erg vanuit bewuste kennis wordt uitgevoerd. Door te veel bezig te zijn met je techniek gebruik je hersencapaciteit die je tijdens een wedstrijd anders moet inzetten. Maar als iets eenmaal bewust is aangeleerd, dan is het moeilijk om deze kennis weer te vergeten en in het onderbewuste systeem te krijgen Veel beter is om onbewust aan te leren. Het adaptieve vermogen om aan te passen aan wisselende omstandigheden leer je door differentieel leren.

De beweging impliciet aanleren kan op verschillende manieren.

  1. Leren met externe focus (focus op de effecten: efficiënt door het water glijden)
  2. Differentieel leren (door veel te oefenen met verschillende (overdreven) bewegingen/ houdingen voelen de zwemmers duidelijker de optimale uitvoering die bij hem past)
  3. Observerend leren (nadoen; gebruik hierbij een minimum aan verbale instructies)
  4. Analogie leren (beeldspraak die samenvat hoe de beweging moet worden uitgevoerd
  5. Dwangstelling leren (door een hoepel duiken/keren, door een smalle baan zwemmen)
  6. Foutloos leren (ervaren van succes is tijdens het leren van beweging van groot belang voor het zelfvertrouwen en motivatie van de kinderen. Door de moeilijkheid of complexiteit rustig op te bouwen wordt de kans op het maken van fouten kleiner en hoe je dat later ook niet af te leren.
  7. Bewegen op ritme van muziek/ piepje in je oren

Welke methode het beste bij welk kind werkt moet je gaan uitproberen. Uit onderzoek blijkt dat de differentieel leermethode, waarbij gebruik wordt gemaakt van zoveel mogelijk variaties, beter werkt dan de traditionele leermethode waarbij er veel wordt herhaald om de ideale bewegingsuitvoering na te streven. Dit komt omdat impliciet geleerd wordt. Hierdoor sla je kennis op die je niet bewust kunt benoemen. Door middel van deze onbewuste kennis, wordt de kans op falen onder vermoeidheid kleiner. Hoeveel vormen van impliciet leren gebruik je in de training?

Waarop richt men de aandacht? Gabrielle Wulf was een van de eerste om onderzoek te doen naar de interne focus, (bijvoorbeeld spanning in spieren, verdeling van het lichaamsgewicht over beide voeten bij de start) in tegenstelling tot externe focus, het resultaat van verschillende afzetrichtingen, (bijvoorbeeld de plek van de voeten op de muur bij een afzet, de plek waar je wil landen bij je start) bijvoorbeeld te doen. Onderzoek toonde aan dat het richten van de aandacht op de uitkomst tot een beter resultaat leidde. Andere onderzoeken komen tot eenzelfde conclusie: instructies en feedback die gericht zijn op het effect van de beweging en niet op de beweging zelf hebben meer effect bij het uitvoeren én het leren van bewegingen. Ook gevorderde zwemmers hebben baat bij een externe focus. De gedachtegang achter dit effect is dat een externe focus het automatisch karakter van een beweging bevordert. Er vindt een onbewuste snelle bewegingssturing plaats, terwijl bij een interne gerichtheid deze automatismen worden verstoord.

We hebben als trainers vaak de neiging instructie en feedback te geven die de aandacht intern richt, zoals: ga meer door je knieën, hoge elleboog, kantel je bekken, Deze instructies maken motorisch leren niet onmogelijk maar een beter leerresultaat kun je krijgen met instructies die de aandacht op het effect van de beweging richten of soms zelfs geen instructies geven.

Liever: duw het water weg, dan een precieze omschrijving over de stand van de hand.

Techniek oefeningen kunnen zeer zinvol zijn, maar bedenk je wel of datgene wat je “geïsoleerd oefent nut heeft of dat je de oefening beter kan stoppen in de hele slag en hou oog voor het ritme van de sporter.

De rol van het team

Groepsgevoel en verbondenheid met het team zijn ontzettend belangrijk in de motivatie van kinderen. Kinderen willen graag ergen bij horen. Als de cohesie van het team goed is, zal de prestaties in het team ook beter zijn. En tevens zorgen goede prestaties voor een betere cohesie. De cultuur die heerst binnen een team is per team verschillend. Een team kan meer gericht zijn op presteren en een ander team is meer gericht op gezelligheid.

De rol van het programma

Het allerbelangrijkste doel bij de zwemtraining is plezier hebben. Daarvoor is een programma met uitdaging, succeservaring, passend bij de leeftijd, ambitie en het niveau van de sporters essentieel. Het huidige aanbod binnen de trainingen is erg eenzijdig, ingericht op vroege specialisatie en de route naar de top. Met behulp van het sportmodel willen we een beter opbouw in de programma’s en passend bij de verschillende perspectieven en ambities.

Tot 11-jarige leeftijd willen we een breed beweegaanbod stimuleren voor de ontwikkeling van het individu en lagere kans op vroege uitval anderzijds (meer beleving, minder kans op blessures, minder snel mentaal moe). Om erachter te komen welke slag het beste ligt bij een zwemmer zetten we alle slagen centraal. In de wisselslag komen alle slagen aanbod en daarom bieden we deze afstand in de wedstrijden regelmatig aan. De KNZB wil graag dat 100 meter wisselslag al vroeg ontwikkeld wordt. Kinderen van 11 jaar moeten in staat zijn om een goede 200m wisselslag te zwemmen en ongeveer 2 jaar later zou een goede 400m wisselslag mogelijk moeten zijn.

Voordelen van wisselslag als speerpunt in je trainingen:

  • Sporters hebben een goede variatie in trainingen wat stimulerend is en zorgt voor goede ontwikkeling van meerdere spieren, minder kans op blessures, stimuleert voor breedspectrum aan trainingen, voorkomt vroege specialisatie en is een goede basis voor alle slagen en afstanden op latere leeftijd.
  • Coaches en sporters besteden aandacht aan de aerobe capaciteit, techniek, vaardigheden en snelheid van alle 4 slagen.
  • De wisselslag geeft veel beleving bij een wedstrijd omdat elke sporter zijn eigen tactiek en race verdeling heeft.

De 200m wisselslag (zeker op kort bad) vraag veel snelheid, goede overgang in slagen, goede keerpunten inclusief onderwaterfases en focus op alle slagen. Voor een “complete zwemmer” biedt je alle fundamentele basisvaardigheden aan voor de groeispurt. Dit betekent dat je in je weekplanning alle slagen aan bod laat komen. Vanaf het begin van de groeispurt biedt je aerobe capaciteit trainingen aan. Als je jonge sporters geen aerobe basis geeft is het op latere leeftijd moeilijk om deze basis weer in te halen. Training voor de 400m wisselslag doe je in combinatie met focus op de 400 vrije slag in de fase waarin de ontwikkeling van de aerobe capaciteit belangrijk is, dit zorgt namelijk voor een goede basis van alle slagen en het stimuleert slag efficiëntie.

Kenmerken van een goed trainingsprogramma:

  • Er zit een goede opbouw in en ze zijn gericht op ontwikkeling. Ze gaan uit van de ontwikkelingsleeftijd van de sporter en maken gebruik van de gevoelige periodes voor fysieke ontwikkeling
  • Mentale vaardigheden en prestatie gedrag staan systematisch in het programma. Sporters leren om te denken als kampioenen, goede doelstellingen te maken en hebben hoge verwachtingen van zichzelf.
  • Sporter leren goede focus, inzet en zelfvertrouwen. Deze kwaliteiten helpen bij fysieke en technische doelen. Goed denken leidt tot goed trainen
  • Kinderen tot 12 jaar moeten opgeleid worden tot goede veelzijdige bewegers. Door middel van speelse vormen in het water en tijdens de landtraining kun je de voorwaarden voor bewegen goed ontwikkelen (Athletic Skills Model)
  • Meisjes vanaf 7 en jongens vanaf 9 jaar hebben de gouden leeftijd voor techniek. Daarom is er bij deze leeftijd veel accent op een efficiënte relaxte slag
  • Bij kinderen tussen de 11 en 14 jaar staan aerobe trainingen centraal.
  • Voor meisjes van 11/12 en jongens van 12/13 jaar is er veel accent op 200 wisselslag en ontwikkeling van aerobe capaciteit.
  • Een aerobe basis op alle slagen (indien de techniek dit toelaat) voor een goede 400m wisselslag.
  • Gevarieerde trainingen en aanpak waarin elke sporter centraal staat zorgt voor gevarieerde talenten. Train alle 4 slagen en geef elke sporter de kans om te schitteren in waar hij goed in is.
  • Fase 4 en 5 zijn de fases voor een goede opbouw naar excellentie.